God, how I love my Spruitje

Vrijdagavond val ik doodmoe in bed, nadat ik na een hectische week met te veel mailtjes en telefoontjes over accreditaties, kentekenlijstjes, productieboeken, debatten, catering, tweede kamer, slotgesprek, verkiezingen, prinsjesdag en paralympisch transport, met de poes op schoot lekker naar The Voice heb gekeken.

Overigens de minste aflevering van dit seizoen tot nu toe als je het mij vraagt. Maar goed, als je het opneemt en een uur na het begin start met kijken, kun je er lekker snel doorheen fietsen en toch nog op tijd naar bed.

Ik val snel in slaap snel en schrik me lam als midden in de nacht mijn telefoon gaat. Ik heb niet zulke goeie ervaringen met nachtelijke telefoontjes. Maar het blijkt gelukkig maar een geluidsman te zijn, die nu pas mijn berichtje van die middag hoort en spontaan besluit om, ik zeg het nog maar even, om 1 uur ’s nachts, terug te bellen. De idioot!

Terug in bed, komt Spruitje bij me liggen. Dat is een uitzondering, want meestal gaat ze ’s nachts op stap. Maar nu dus even niet. En lepeletje-lepeltje-liggen met de kat is natuurlijk niet hetzelfde als lepeltje-lepeltje liggen met een lekkere kerel, maar goed het is ook gezellig.

Ik val weer in slaap en hoor om acht uur de wasmachine, die ik op de timer had gezet, aan gaan. Besluit me nog even om te draaien en realiseer me dat ik alle ruimte heb. Geen Spruitje dat in de weg ligt. Die komt zo wel weer als ze beweging hoort.

Maar, al wat er komt, geen Spruitje. En dat terwijl het toch licht is buiten en ze meestal ’s ochtends als ik wakker word wel in de buurt is.

Ik stap uit bed, rommel wat, geen Spruitje.
Achterdeur open, geen Spruitje.
Fluitje, geen Spruitje.

Gek. Toch maar even dat niemendalletje verwisselen voor normale kleren en gympen die tegen een stootje kunnen. Trapje af, even fluiten en het lijkt alsof ik haar ergens in de verte hoor miauwen.

Ik fluit nog een keer om te kijken of ik haar zie … en verdomd als het niet waar is … ze zit aan de overkant van de sloot in de tuin te gillen dat ze wel terug wil, maar niet kan. Tenminste dat hoop ik. En dat ze niet gilt omdat ze pijn heeft. Mijn ‘moederhart’ gaat sneller slaan. Ik moet ‘mijn kind’ redden! Maar hoe?

Als ik haar roep, lijkt ze de sloot in te springen, maar dat doet ze gelukkig toch niet.

Ik probeer haar op afstand gerust te stellen en moet teruglopen naar huis om m’n sleutels te pakken en de wijk door te lopen naar de voordeur van het huis waar ze achter in de tuin zit. Dat voelt alsof ik haar in de steek laat, dus ze begint nog harder te gillen. Au, moederhart, au, maar ik moet wel.

Lopend ben ik toch gauw 5/6 minuten onderweg en ik pieker me suf hoe zij daar in godsnaam gekomen kan zijn. Maar goed, dat is niet zo belangrijk. Belangrijker is dat ze weer mee terug gaat.

Eenmaal aangekomen bij het huis, fluit ik nog een keer en probeer ik haar door de heg te laten komen. Maar, wat blijkt? De heg groeit tegen een “Heras-hekwerk” van 1 meter 80 hoog met rasters van 10×10 cm. En ja, Spruitje is geen slanke den (goed voorbeeld doet goed volgen), dus 10×10 is niet echt een optie om doorheen te kruipen. Maar ja, ze is daar ook “binnen gekomen”.

Ik stel haar, met mijn hand door zo’n rastertje heen, gerust en probeer te bedenken hoe ik haar daar weg ga krijgen.

Het is half 9 op zaterdagochtend en van het huis in kwestie zijn alle luxaflexen dicht. Er staat geen auto op de oprit en het zou dus zomaar kunnen zijn dat die mensen met vakantie zijn.

Ik probeer door de bosjes bij de sloot te lopen, maar die staan (gelukkig) te dicht op elkaar, want de spinnen die ik daar zag waren echt MEGA!

Spruitje is omgelopen en zit nu te piepen achter de poortdeur. Ik zie haar snuitje onder de deur door, maar helaas … dat is het enige dat daar onderdoor past.

WAT NU? Aanbellen? Of ‘inbreken’?

Verderop in de straat, zag ik toen ik hierheen liep, een dekbed fris uit een raam hangen. Die mensen zijn dus wakker. En misschien moet ik daar dan toch maar aanbellen om te kijken of ze een trap hebben die ik even mag lenen. Maar ja, het is zaterdagochtend half negen … Jammer dan! Ik moet ‘mijn kind’ redden.

Ik verontschuldig me bij de mevrouw des huizes dat ik zo vroeg aanbel, en leg uit wat er aan de hand is. Ze begrijpt het en geeft me, heel aardig, haar trap mee.

Een loodzwaar apparaat, dat ik uiteindelijk niet nodig blijk te hebben, want Spruitje is op miraculeuze wijze uit de hermetisch afgesloten tuin gekomen en ligt nu op straat oerkreten uit te slaan.

Snel de trap weer terugbrengen naar die aardige mevrouw van 5 huizen verderop, Spruitje oppakken en mee naar huis nemen.

Ik pak haar op, maar ze is op z’n zachtst gezegd, not amused, of misschien gewoon bang, dus ze begint te blazen en springt weg. Uiteindelijk krijg ik haar weer te pakken en raak met haar in gevecht. Ze moet mee, dus ik grijp haar in haar nekvel, terwijl ik ondertussen lief tegen haar praat en snel die 3 straten doorloop op weg naar huis.

Eenmaal thuis gaat ze midden in de kamer op de vloer liggen en begint zich te wassen. Er lijkt dus niets aan de hand. Nu ligt ze, volgens mij volledig uitgeput van de spanning, heerlijk naast me te slapen terwijl ik dit zit te tikken.

Heel vaak denk ik: ik zou wel eens willen zien wat ze ’s nachts allemaal op- en uitvreet. Kon ik haar maar een nachtje volgen in wat ze doet. Nu had ik het zeker willen zien, al was het alleen al om erachter te komen hoe ze toch in Godsnaam aan de overkant van de sloot in die tuin terecht is gekomen?

God, how I love my Spruitje!

Comments are closed.